Ik zat een beetje suffig voor me uit te staren op de eerste bank in het achterste gedeelte van bus 31 toen mijn aandacht getrokken werd door een jonge vrouw die aan het luik op de grond van de bus stond te rukken. Met enige krachtinspanning trok ze het luik omhoog en legde ze het op de stoep. Een heuse hellingbaan was gerealiseerd en de jonge vrouw duwde geroutineerd een invalidenwagen de bus in. Erin zat een jongetje van zo’n jaar of 7.
Ze zette de wagen op de enige plek van bestemming, trok de rem naar achteren en klikte de wagen vast aan de veiligheidsgordel. Het jongetje zat met zijn rug naar de bestuurder. Zijn zus ( als niet terzake doende waarnemer kun je besluiten dat men familie van elkaar is zonder dit op waarheid te checken) ging recht tegenover hem zitten en zat dus naast mij maar wel aan de andere kant van het gangpad.
Ik concentreerde me op hun conversatie ook al keek ik naar buiten en af en toe tersluiks naar de jongen. Hij had zichtbaar moeite met praten, zijn woorden kwamen er hortend uit en ook over de spieren in zijn armen en benen had hij geen controle. Maar dat was niet wat me ontroerde. Vanaf het moment dat ze binnen waren, wisten ze zich gezien, door iedere andere passagier in de bus; alle oren waren gespitst en de blikken afgewend. Toch lukte het hen om ons buiten te houden. Hun conversatie ging voornamelijk over de onderlinge aflossing van buschauffeurs, over de route die er gereden werd en over hun eindpunt. De jongen wist bij elke stop waar we waren, zonder dat hij dit kon lezen want hij zat met zijn rug naar de display waar de namen van de haltes op verschenen. Hij reed deze rit duidelijk niet voor het eerst. Bij het uitstappen bood ik aan om het luik open te gooien. Dat viel nog lang niet mee. We groetten elkaar en ik stapte weer naar binnen. De bus met haar passagiers was weer verzonken in haar gebruikelijke anonimiteit.